Ik en mijn auto (1)

‘Wanneer schrijf je weer eens een nieuw blog? Geen inspiratie meer?’ had een lezer mij ge-e-maild.

Inspiratie zat, beste lezer. Alleen had ik de laatste paar weken weinig tijd. Ik heb namelijk een nieuwe relatie. En nieuwe relaties vreten tijd, zeker in het begin. Nieuwe relaties vreten evenveel tijd als oude relaties tijd opleveren. Er is sprake van een evenwicht. Alle in de bloei van de jeugd tekortgekomen tijd krijg je later weer terug, eerst in het bejaardentehuis en later in de eeuwigheid van de dood.

De meeste dingen gaan niet zoals ze in theorie zouden moeten gaan, maar zoals ze in de praktijk nou eenmaal gaan.

‘Zo gaan die dingen,’ zeggen we dan.

Zo ging het ook met mij en mijn rijbewijs. Toen ik achttien was, had ik rijles van een sadist. Ik zakte twee keer, daarna heb ik het opgegeven. Ik werd bijrijder. Na twaalf jaar bijrijden wilde ik het heft in eigen handen nemen en ben ik opnieuw rijlessen gaan nemen. Ditmaal bij een zevenentwintigjarige vrouw, een Twents deerneke met een riesengroß rollende r en een blonde paardenstaart. Ik slaagde in één keer. Arrrrrrlin, mijn rrreddende engel, blijf ik eeuwig dankbaar.

Een rijbewijs zonder auto is als gitaarspelen zonder gitaar, vandaar dat ik meteen op koopjacht ging. Op zoek naar een nieuwe relatie. Een relatie met een in het oog springend, elegant, blinkend, veilig, betrouwbaar vehikel met een beetje pit onder de kap. En dat vehikel moest niet al te veel kosten natuurlijk. Vandaar dat ik op zoek ging naar een lekker ingereden, goed onderhouden occasion.

Zoals sommige mannen op hun dertigste nog steeds niks van vrouwen weten, zo wist ik tot een paar weken geleden niks van auto’s. Dus liet ik mij adviseren alvorens ik tot de daad, de koop, zou overgaan.

Net als de bijbelse Koning David en de huidige Obama moest ik het hebben van mijn adviseurs, mijn profeten. Aldus sprak ik met een collega (‘Nooit Franse auto’s kopen, zoek naar Golfjes met een deuk, die zien er niet uit, maar hebben een onverwoestbare Duitse motor. En een diesel natuurlijk.’), belde ik drie keer met mijn stiefvader (De Ford Fiesta’s tussen 2000 en 2002 zijn klasse, niet zo’n plastic distibutieriem – allemaal troep wat Ford later is gaan doen –, maar een ouderwetse aandrijfketting, niet kapot te krijgen. Koop geen Franse auto en ga niet naar een handelaar, die poetsen die wagens mooi op en ondertussen is er van alles loos. Dat kan je net zo goed meteen je geld weggooien. En koop in het Oosten, dan heb je minder last van verzilting en roest.) en luisterde ik naar een kennis (‘Ik zou ‘m niet te klein nemen. Op de snelweg wil je toch een beetje meer auto.’) en een vriend (‘Maak je niet druk! Doe het gewoon, dan zie je het wel. Ik heb een Ford Ka gekocht voor 250 euro, moest er nog wat aan versleuteld worden en was ik voor 650 klaar. Rijd nog steeds, al weet ik niet voor hoe lang nog, proost trouwens!).

Behalve dat ik geen Franse auto zou kopen en dat ik het maar gewoon moest gaan doen, was ik niet veel wijzer geworden. Via wat gegoogle had ik nog geleerd dat je moest vragen naar de Nationale Autopas (die garandeert dat de kilometerstand niet is teruggedraaid door een malafide autosnodaard) en de onderhoudsgeschiedenis vastgelegd in het onderhoudsboekje.

Op internet zag ik een bekoorlijke Ford Focus, goud metallic. Twaalf jaar oud, maar onverminderd oogverblindend in goud gestoken en in zilver gewassen. Dubbele airbag, 1.4 liter, 16 kleppen – veel meer zou ik niet krijgen voor het bedrag dat ik kon uitgeven.

Zodoende togen mijn vriendin en ik naar Badhoevedorp voor een proefrit. We zouden alleen even gaan kijken, niet kopen.

De Ford zag er mooi opgepoetst uit. Ook reed hij prima, voor zover ik dat kon beoordelen, want het was de eerste auto na mijn lesauto en die rijdt volgens mij altijd lekker. Eindelijk ben je eigen baas. Niet dat gezeik van ‘rotonde rechtdoor dus halfrond’, nee gewoon linksom die rotonde pakken en dan in zijn achteruit de snelweg op. Wel veilig natuurlijk, dat wel.

Mijn vriendin hoefde niet eens te rijden om te kunnen beslissen over mijn nieuwe relatie. ‘We doen het! Rijdt heerlijk toch?’ Na een kwartiertje intensief proefrijden over de A9 richting Haarlem en door een pittoresk stukje Schalkwijk, zetten we de auto midden op de weg voor de deur van de autohandelaar.

We liepen in de richting van een klein kantoortje. Een klein kantoortje aan het kanaal in Badhoevedorp. Daar zetelden we ons in plastic campingstoelen, aan een plastic campingtafeltje met een plastic boeketje in het midden, de onderhandelingstafel. Het rook er naar sigarettenrook en benzine, vermengd met een goedkoop parfum, een luchtverfrisser.

De autohandelaar liep mank. Hij zei dat het kwam door een potje voetbal. ‘Zaterdagmiddagamateurs. Drie pennen. Nou maar hopen dat ze het goed gerepareerd hebben,’ zei hij, met een pijnlijk gezicht over zijn knie wrijvend.

Wat een beroerde acteur, dacht ik.

Hij gaf ons een hand. ‘René, koffie?’ ‘Albert, lekker,’ antwoordde ik. Toen mijn vriendin zich voorstelde, viel me pas op dat hij mij niet had aangekeken, haar wel.

De autohandelaar zette de koffie in witte kopjes op witte schoteltjes voor ons neer. René ging achter het plastic bloemetje zitten.

‘En?’ vroeg hij, zijn grijsblauwe ogen halfgeloken, dienstbaar.

Nooit te enthousiast zijn tijdens onderhandelingen, had ik van mijn moeder geleerd, die dat weer van haar vader, Albert, een ingenieur, een man die in boten en bruggen had gehandeld, had geleerd.

‘Tjsa, wat kunt u over de auto vertellen…’

‘Hij reed heerlijk, en hij ziet er echt netjes uit, en dat voor die prijs…’ knalde mijn vriendin tussendoor.

‘Ik bedoel, de onderhoudshistorie, René, hoe kom je aan de auto, hoe zit het met de Nationale Autopas, de onderhoudsgeschiedenis vastgelegd in de onderhoudsboekjes?’ ging ik nerveus verder, bang de controle te verliezen.

‘’t Is echt een knappe auto, altijd bij een Ford-dealer in onderhoud geweest. Ingeruild door een keurige dame. 152.000 km op de klok, distributieriem vervangen op 134.000 km, pas een nieuwe beurt nodig op 164.000 km. Zonder meer een keurige auto. NAP en onderhoudsboekjes aanwezig. Waar wachten jullie eigenlijk op?’

Bedenktijd, daar wachtte ik op.

‘Eigenlijk ben ik al gesloten, maar nu kunnen we de koop nog sluiten, morgen is-ie weg, die knappe auto, zeker voor die prijs. Ik zou het doen, als ik jou was dan tenminste. Drinken jullie een biertje mee? De jongens in de garage lusten er inmiddels wel één, weekend hè?’

Terwijl de autohandelaar wegstrompelde om bier te halen, gingen mijn gedachten sneller dan de maximumsnelheid. Alsof ik het echt bijna zou gaan doen, voor de eerste keer een auto kopen. Ik keek naar mijn vriendin, zoekend naar een klankbord. ‘We doen ‘t!’ zei ze, gelukzalig, gehypnotiseerd.

Onze deal was dat zij een tiende deel betaalde en ik negen tiende, dus liep ik alleen naar buiten, om negen tiende deel bezinning te praktiseren. In de moed der wanhoop belde ik mijn stiefvader nogmaals.

‘Waar sta je? Bij een autohandelaar? Nooit in één keer kopen. Nooit doen. Zeker niet bij een autohandelaar, die lui zijn niet te vertrouwen, die verlinken hun eigen moeder nog. Is de auto wel schadevrij?’

‘Maar hij zegt dat hij morgen weg is, ’t is een knappe auto.’

‘Zeggen ze altijd, tuurlijk zeggen ze dat-ie morgen weg is. Vraag of de auto schadevrij is, heb je dat al gevraagd?’

‘Ok, zal ik doen, ik ga ophangen. Bedankt.’

Ik liep terug naar het kantoortje. Binnen zat mijn vriendin aan het bier, de autohandelaar zat achter de balie een formulier in te vullen, de koopovereenkomst.

‘Ik heb al onderhandeld,’ zei ze triomfantelijk. ‘Vijftig euro er af.’

‘Is de auto schadevrij?’ vroeg ik aan René, mijn laatste armzalige troef uitspelend.

‘Om eerlijk te zijn weet ik dat niet. Maar het ziet er wel naar uit, we hebben niks gevonden. Jij toch ook niet? Je hebt er toch in gereden? Waar wacht je nog op man? ’t Is echt een mooie deal, een knappe auto. Alleen nog even tekenen.’

Alles aan deze middag vond ik ineens verdacht, ik vertrouwde helemaal niks niet meer voor geen ene rooie rotcent. Weldra zou ik een nieuwe relatie aangaan voor net iets minder dan mijn duurste gitaar. Het was letterlijk het eerste het beste vehikel waarin ik had gereden na het behalen van mijn rijbewijs. Ook was het zaterdagmiddag, een half uur na sluitingstijd. En er was inmiddels ook drank in het spel. Ik twijfelde. Ik twijfelde intens. Ik twijfelde voor de laatste keer, nam een slok bier en tekende. De autohandelaar knipoogte naar mijn vriendin.

Over een week konden we hem ophalen.

Die nacht kon ik niet slapen. Ik droomde over pittiger modellen, goedkopere en minder verzilte varianten uit het Oosten, energiekere vehikels, jonger dan twaalf jaar.

Een week lang had ik nachtmerries. Mijn Focus startte niet of vloog uit de bocht terwijl mijn vriendin op de achterbank gierend klaarkwam op het manke been van de autohandelaar. Het bedrijf inclusief het kantoortje was opgedoekt, mijn nieuwe auto, mijn geld, mijn vriendin, alles was weg en ik had gefaald, jammerlijk gefaald.

Pas de ochtend dat we hem gingen ophalen had ik weer een positief gevoel. Dit keer scheen de zon wel.

De autohandelaar verwelkomde ons met koffie. Het ging beter met zijn been. Met een kloppend hart zaten we aan het plastic tafeltje, het boeketje stond onaangeroerd in het midden.

De autohandelaar werd weggeroepen en kwam na een paar minuten terug. ‘Ik heb vervelend nieuws jongens, slecht nieuws. Ik sta daar net in de garage te kijken naar jullie auto, een knappe auto zonder meer, keurig gewassen en klaar voor aflevering, gaat ineens de ruitenwisser uit zichzelf bewegen terwijl het contact uitstaat. Foute boel jongens. Zoiets kan altijd gebeuren, het blijft een auto, maar helaas en pech voor jullie gebeurt het nu, zonet, vijf minuten geleden. Ik kan hem meegeven maar dan sta je straks langs de weg en wordt het echt janken. Ik ga hem jullie dus niet meegeven. Kennelijk is er iets in de elektronica niet pluis, een reledje dat blijft plakken. Ik weet niet hoe lang het duurt voordat we het gaan vinden, maar we gaan het vinden. Heel vervelend voor jullie, maar we lossen het op.’

Garantie tot aan de deur, gelukkig was dat ding de deur nog niet uitgeweest.

Daar zaten we dan, in een klein kantoortje aan het kanaal in Badhoevedorp, twee pechvogels die nog niet eens het ei hadden verlaten, verloren in de dop.

In de week na de koop had ik alles geregeld: de verzekering, de tennaamstelling, de parkeervergunning voor Bos en Lommer, de wegenbelasting. Ook had ik na het tekenen direct het geld overgemaakt, dat hielp vast, al wist ik niet waarvoor. Voorlopig moesten we met de bus terug naar Amsterdam. Mijn eerste auto liet nog even op zich wachten, speelde hard to get.

Zo gaan die dingen.

(Dit blog is het eerste deel van een tweeluik en tevens onderdeel van Wilde Weekend Weblogs. Benieuwd hoe het verder gaat? Volgend weekend deel 2.)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *