Lift

Het bandconcert van De Nieuwe Muziekschool, waar ik gitaarles en bandcoaching geef, zat erop. Het was een hectische zondagavond geweest. Spelen kunnen de leerlingen zelf, maar als ze zenuwachtig zijn is enige technical support onontbeerlijk. Aldus assisteerde ik een twintigtal gitaristjes met snoeren ontwarren, stemmen, capo’s op de juiste fret klemmen, gitaarbanden op maat maken en inpluggen. Dan heb ik het nog niet over het uitdelen van plectra. Die vliegen op zo’n avond als Haribo mijn zak uit.

‘Sorry meester, ik ben mijn plectrum vergeten.’

Vergeten; alsof hij er echt aan had gedacht.

‘Mag ik er eentje lenen?’ Ook dat lenen kende ik inmiddels.

Hierop voorbereid had ik een flinke familiezak (76 pcs) paarse Jim Dunlop 1.14 mm’s bij me. Zo konden de leerlingen allemaal een plectrum naar oma in het publiek gooien.

Na het laatste liedje stond ik enkele trotse ouders te woord. Toen de zaal leeg was, viste ik de onopgevangen plectra tussen de plastic stoelen vandaan en stopte deze terug in mijn familiezak.

Het snoeren rollen, versterkers sjouwen en stoelen opstapelen hadden mijn lentelijke dorst doen ontluiken.

‘Er is een dorst ontloken,’ galmde ik door de aula van het katholieke Sint Vitus College, alwaar DNM gevestigd is. [1]

Een bepaald soort dorst.

Mijn collega’s wilden allemaal naar huis. De één moest nog rijden, de ander ging de volgende dag om zeven uur op voor de kinderen. ‘Ik ken die dorst van jou,’ zei de basleraar. ‘Ik breng je naar het station.’

Natuurlijk miste ik net mijn trein. Dan maar even naar café De Pulp tegenover de spoorwegovergang van Naarden-Bussum. Het was niet druk, wat wil je, het was Bussum op zondagavond, elf over elf. De barman was al bezig de barkrukken op de bar te zetten.

Er zat welgeteld één lotgenoot aan de bar, een Marokkaan. Hij had een gloeilampvormig hoofd – ronde kale schedel boven, smalle kaken en spitse kin onder – vergelijkbaar met dat van Abdelkader Benali.

De barman liet ons de Columbus van Brouwerij ’t Ij proeven. Een volle ronde hopsmaak tongde rond in mijn mondholte.

‘Smaakt naar wiet man, smaakt naar wiet,’ zei mijn lotgenoot. ‘En ’t ruikt ook naar wiet, ruik maar.’ Hij duwde het glas zo in mijn gezicht dat het Columbusschuim aan mijn neus bleef plakken.

‘Sorry.’ Met de behaarde achterkant van zijn hand veegde hij het schuim van mijn neus.

‘Ga je mee roken?’ vroeg hij.

Ik volgde hem naar de rookkamer. Daar rookten we en dronken we Columbus. We klonken op Fez, waar zijn familie vandaan kwam en waar ik twee keer was geweest. Op de Marokkaanse medina’s waar je voortdurend wordt lastiggevallen met ‘Ruud van Nistelrooy’ en ‘noiken-in-de-koiken’. Op het het dorp Azrou in het Atlasgebergte, waar ik had gedacht eindelijk alleen en in stilte een berg te kunnen beklimmen totdat ik door had dat er al die tijd een dorpeling achter me aan sjouwde. Toen ik boven kwam had deze een fotogebaar gemaakt. Weg eenzaamheid.

‘Je bent er echt geweest man,’ zei mijn lotgenoot toen ik hem over Azrou vertelde.

Hij keek op zijn oude Nokia-telefoon. ‘Vriend, je hebt je laatste trein gemist. Waar woon je?’

‘Amsterdam.’

‘Ik breng je naar huis man, omdat je er echt bent geweest. Ik doe het graag voor je. Marokko is van Nederland man, zo moet je het zien, ’t is van jullie, van ons.’

‘Hoeveel heb je gedronken?’ vroeg ik, meer voor de vorm.

‘Drie.’

‘Het gaat om uren hè,’ antwoordde ik.

‘Nee man, Amsterdam, twintig minuten man, hooguit.’

Ik kocht nog twee flesjes Corona voor thuis en liep achter hem aan naar zijn auto.

De weg op, keiharde Arabische muziek aan, raam open, langzaam heen en weer slingerend op de rechterbaan.

Praten was even onmogelijk als overbodig.

Na een kwartier hikte onze auto een leeg tankstation binnen. Ik wilde hem een volle tank schenken; een taxi had me waarschijnlijk meer gekost. Maar hij stond erop dat het bleef bij een halve tank en een pakje sigaretten. ‘De auto is toch van mijn zus geleend.’ Terwijl ik pinde hield de pomphouder achter zijn kogelvrije glas met een schuin oog mijn nieuwe vriend in de gaten.

Terug bij de auto bleek dat de muziek aan was blijven staan. Jammerende keelklanken schalden rond de pompen, voorbij het helle licht, richting duisternis.

‘Bij jou thuis roken we een dikke joint man.’ Mijn chauffeur zette zijn zonnebril op en reed over een bijna lege A10 naar Amsterdam-West.

Mijn vriendin lag al in bed, de rolgordijnen in de huiskamer waren dicht.

Ik rolde ze open.

‘Ja man, even raampje open,’ zei hij vanaf de bank.

Ik zette een lp op, No reason to cry van Eric Clapton. Mijn vriend rolde en rookte zijn joint. Ik sloeg over, bedankte vriendelijk en dronk in het belang van de algemene verkeersveiligheid snel die Corona’s op voordat hij er aan zou beginnen.

‘Al mijn vrienden noemen me Mimi,’ zei hij.

Mimi bleef vaag over het werk dat hij deed. Het leek me beter dat ik er niet over doorvroeg. Daarna vertelde hij sterke verhalen uit de Bijlmerbajes waar hij had gezeten toen hij een jaar of negentien was. Die had ik nog nooit over de vloer gehad.

‘Kom,’ zei ik. ‘Ik laat je het dak zien.’

Trap op. Door het raam. Over het grind. Op de schoorsteen. Je optrekken aan de dakrand. Vieze handen. Oprichten. Wankel. Stabiel.

‘Mooi uitzicht man. Ik heb nog nooit in Amsterdam op een dak gestaan.’

‘Foto?’ vroeg ik.

Ik maakte een foto van Mimi met zijn oude Nokia.

‘Het is te donker, je ziet niks.’

Eenmaal weer beneden was het half drie. Mimi wilde gaan, hij moest om acht uur werken.

De volgende dag werd ik tijdens de gitaarles gebeld door een onbekend nummer.

‘Hee man, met Mimi. Is je vriendin niet wakker geworden vannacht?’

Waar ook, ik had hem mijn telefoonnummer gegeven.

‘Mimi! Jawel, maar ze vond het niet erg, althans, niet heel erg. En jij, lekker gewerkt? Bedankt voor de lift nog.’

‘Was ok man. Wanneer zie ik je weer?’ vroeg hij, zijn stem klonk zachtjes, anders dan de avond ervoor.

Mimi’s openhartige vriendschapsverzoek ontroerde me. Mijn reactie was van een analoge vaagheid, ik drukte op accepteren noch afwijzen. ‘Misschien zie ik je nog eens als je in Amsterdam bent. Of wie weet in De Pulp in Bussum. Zit je op Facebook?’

Mimi zat niet op Facebook. Dus Facebookvrienden zouden we nooit worden. Maar wat gaf het? Mimi was hier echt geweest.

 

 

 


[1] Dit galmen geschiedde op de melodie van het bekende adventslied ‘Er is een roos ontloken’ dat in een bewerking van Jan Wit (1914-1980) opgenomen is in het Liedboek voor de kerken.

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *