Pornografie

‘Niets slaapverwekkender dan seks in de Nederlandse literatuur,’ schreef Martin Bril. Een misschien onverwachte uitspraak voor een hartstochtelijk schrijver die zelf een periode kampte met een seksverslaving.

Slaapverwekkend of toch onbewust stimulerend – sinds de jaren zestig, zeg maar de geile oude tijd, buigt ook de literatuurwetenschap zich over pornografie. Recentelijk verschenen nog Seks!… In de negentiende eeuw (2006) van Nop Maas en Venus in minirok. Seks in de literatuur na 1945 (2010) van Piet Calis.

Afgelopen woensdag organiseerde de Universiteit Leiden het symposium Pornografie in de Nederlandse literatuur. Hoewel ik op voorhand geprikkeld werd door de line-up van sprekers, mediëvist Herman Pleij, Hermans-biograaf Willem Otterspeer, Marja Pruis (Groene Amsterdammer) en Arnon Grunberg, bekroop mij, toen ik eenmaal in een slecht verlicht, volledig blauw (o, ironie!) geverfd achterafzaaltje aankwam, toch het gevoel dat de deftige Universiteit Leiden hier eens even lekker ‘stout’ ging doen.

Vooral tijdens de eerste lezingen – respectievelijk over seks in de Middeleeuwen, de achttiende en de negentiende eeuw; weinig inspirerende overzichtsreferaten – overheerste toch het flauwe ginnegappen.

‘Door allerhande slijtage zijn er veel pornografische werken verloren gegaan.’  (Gegrinnik.)

‘In de Gentse hoerenbuurt, ‘Taskut’ (hihi) had de vrouw “een hond tussen haar benen”.’ (Gebulder.)

‘Om een Engelse hoer te laten leven moet je er een ander onderleggen die de hik heeft.’ (Boehaha.)

Zelf heb ik één keer echt gelachen. Dat was toen Herman Pleij bijna toneelspelend verbeeldde hoe een Middeleeuwse verteller het podium opsprong, het publiek trakteerde op een verse scheet en riep: ‘Mijn darm krimpt!’ Even dacht ik de middeleeuwen te kunnen ruiken.

Pas na de lunch werd het interessant met de lezing van Willem Otterspeer over W.F. Hermans, ‘Slaan en geslagen worden’. Otterspeer, die af en toe proefballonnetjes opwerpt van zijn nog te verschijnen biografie van Willem Frederik Hermans – zo lazen we laatst in de krant dat Hermans lid is geweest van de nazistische Kultuurkamer –, haalde Hermans aan die in de jaren veertig een erotisch gedicht van Roland-Holst citeerde. Hermans besloot dit gedicht destijds met ‘Ik zie het al, u bent vermoeid.’ Een betere timing had niet gekund en  een zucht van verlichting ging door de zaal. Het hier aanwezige publiek in het Plexus Studentencentrum had het inmiddels flink gehad met de zogenaamde scabreuze voorbeelden uit de Nederlandse literatuur.

Hoewel Hermans bij wijze van stijloefening ook wel vieze rijmpjes heeft geschreven – Otterspeer presenteerde een rondeel waarin Hermans parodieerde op de erotische verzen van Bertus Aafjes – is pornografie in zijn oeuvre hoofdzakelijk verbonden met macht, geweld en wraak. Dat seks bij Hermans daarbij vaak uitmondt in onbevrediging, illustreerde Otterspeer treffend met de lamlendige neukpartij uit het begin van De tranen der acacia’s (1951). ‘Ik moet klaarkomen, dacht hij en dan kan ik slapen. Als ik ten minste slapen kan, of is zij van plan de hele nacht te blijven?’

Verfrissend was de wijze waarop Marja Pruis haar betoog over pornografie in de recente Nederlandse literatuur opende. Pruis nam ons mee in haar eigen wereld waarin vrouwen van in de veertig in een restaurant, tijdens het oesterslurpen, discussiëren over pijpen.

Helaas schurkte Pruis daarna teveel tegen de feministische moraal. Als ik haar goed heb geïnterpreteerd zou Robert Vuijsjes Alleen maar nette mensen (2008) te weinig afstand nemen van een racistische, mysogyne machocultuur die opnieuw – zij het deels ironisch, maar toch – tot leven gewekt zou zijn door vrouwenhater Michel Houellebecq. Hiernaast zouden volgens Pruis vrouwelijke pornografen, ‘pleasers en hoerige animatrices’ zoals Heleen van Royen en Charlotte Roche, zichzelf niet moeten verlagen door in te spelen op het taboe dat vrouwen geen vuile, promiscue seks mogen beschrijven. Valt er dan echt niets anders over de porno bij Vuijsje, Van Royen en Roche te zeggen? Even voorspelbaar vond ik Pruis’ concluderende onderscheid in ‘goede’ pornografische literatuur (Oek de Jong) en ‘slechte’ pornografische literatuur (Heleen van Royen).

Gelukkig hielp Grunberg. Hoewel hij niet direct op Pruis in ging, verkondigde hij vrij snel wat ik zo-even had gedacht, namelijk dat het zinloos is om te spreken van kunstzinnige porno en niet-kunstzinnige porno. Volgens Grunberg definieert porno zich door transgressie; het feit dat we er eigenlijk niet naar mogen kijken is een essentieel onderdeel van de lustbeleving. En daarbij geldt: hoe smakelozer, des te lustopwekkender. ‘We kijken het liefst naar seks met de buurvrouw.’

Deze en andere conclusies trok Grunberg na zijn veldonderzoek naar pornografie. Grunberg was de afgelopen maanden ‘onder de pornografen’ gegaan om de mens achter de pornograaf te bestuderen. In even hilarische als beschamende anekdotes gaf Grunberg alvast een voorproefje van zijn nog te publiceren onderzoek naar consumenten en producenten van Nederlandse porno. De schrijver stond hier in de gedaante van pornograaf, in zijn meest letterlijke betekenis. Het publiek luisterde ademloos, klaarwakker.

De dag had mijn hoge verwachtingen niet kunnen waarmaken. ’s Avonds moest ik opnieuw denken aan een sprekend voorbeeld uit de lezing van Marita Mathijsen. Van De bruiloft van Jacob Stootgraag (1829) is alleen de titel nog in ons bezit, voor de inhoud zijn we aangewezen op onze eigen verbeelding. Dat is waarom literatuur moeilijk pornografie verdraagt: de verbeelding is stimulerender dan het woord, de taal zwakker dan het beest.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *